Interview met de beste schaker aller tijden

door Sjaak Mad
Op vrijdag 13 januari 2017 neemt Tex de Wit, schaker en  stand-upcomedian,  plaats aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk, de populaire presentator van het veelbekeken televisieprogramma “De Wereld Draait Door.”
De cabaretier mag komen vertellen over zijn kortdurend interview dat hij heeft gehad met de huidige wereldkampioen Magnus Carlsen. Van Nieuwkerk wil ook graag weten of Carlsen de beste schaker aller tijden is.  Deze vraag zal echt niet voor de laatste maal gesteld zijn. Edoch,  Carlsen vergelijken met Fisher of Alechin is even onzinnig als de vraag wie de mooiste muziek heeft gecomponeerd: Mozart, Beethoven of Bach!
In de jaren zeventig heb ik hoogstpersoonlijk de eer de allerbeste schaker ooit te mogen interviewen, tenminste ik ben in de veronderstelling dat hij dat is.
Ik destijds met zijn schaakwaarnemer Dolf Geldwolf telefonisch contact opgenomen. De zeer materieel ingestelde zakenman valt meteen met de deur in huis.
“Om dat gesprek doorgang te laten vinden, moet er wel aan enige strenge voorwaarden worden voldaan”’, zegt hij op bitse toon.
“Een sigaar uit Havanna, een fles wodka of wil meneer misschien zijn eigen leunstoel  meenemen?”, vraag ik schoorvoetend. “Of wil hij….”
“ Nee man”, snauwt de kerel mij bruut onderbrekend toe.
“Allereerst wil mijn cliënt een bom duiten zien.  Het gesprek moet ’s nachts plaatsvinden in een pikdonkere kamer. Hij zal onherkenbaar zijn. Voor de vermomming zal hij zelf zorg dragen. Nooit of te nimmer mag iets van dit gesprek gepubliceerd worden. Zijn stemgeluid moet op elke vraag op een andere manier worden vervormd. Verder mag er op geen enkele wijze ruchtbaarheid gegeven mogen worden aan deze ontmoeting.”
Ondanks het hoge prijskaartje  en de absurde voorwaarden, ga ik onmiddellijk akkoord.  Zo’n buitenkansje laat ik mij uiteraard niet ontnemen. Met het risico dat  Dolf Geldwolf tegen mij een proces zal aanspannen, publiceer ik alsnog een kort verslag van dit historische interview. Lees en huiver, het lijkt op een filmscript voor een aflevering van de schitterende Amerikaanse televisieserie
“The Twitlight Zone”.

Een maand na het telefoongesprek landt in het holst van de nacht bij hevig noodweer een  gammel vliegtuigje op Schiphol.  Aan boord is slechts één passagier: de beste schaker aller tijden! Als een dictator verschijnt hij op de vliegtuigtrap. Op zijn linkerschouder zit een kraai, die meteen krijsend wegvliegt. De geheimzinnige persoon draagt een zwart leren pak, zwarte laarzen en dito handschoenen. Zijn gezicht is verstopt achter een wit masker. Een zwarte pruik steekt er krullend bovenuit.   Zonder iets te zeggen stapt de man in een gereedstaande, glimmende limousine. Trillend van de zenuwen neem ik naast hem plaats op de  achterbank.  In de stromende regen rijden we zwijgend naar een kamer donkerder dan die van Damocles.  Het vertrek is conform de gemaakte afspraken in  gereedheid gebracht voor het interview.
“Neemt  u plaats”, zeg ik zo vriendelijk mogelijk.
Met triviale vraagjes tracht ik vergeefs een gemoedelijke sfeer op te bouwen.
“Heeft u een prettige reis gehad, meester?”
“Nee”, antwoordt hij  kortaf met de stem van Donald Duck.
“Wilt u misschien iets eten?”
“Ja, ”, zegt hij geeuwend om er op een lijzige toon, die zo kenmerkend is voor Holle Bolle Gijs, aan toe te voegen “doe mij maar een heel paard half.”
De kant en klare maaltijd uit De Efteling wordt in een oogwenk opgeschrokt.
“Wilt u verder nog iets weten?”, vraagt hij ongegeneerd een boer latend.
“Jazeker”, zeg ik, terdege beseffend dat nu  een cruciale vraag gesteld dient te worden.  “Hoe heet u?”
En dan begint de  beste schaker aller tijden openhartig op de toon van een robot aan een stuk te spreken.
“Ik heb geen vaste naam!  Ik probeer om te gaan met de identiteitscrisis, waarmee ik constant  te maken heb. Onder druk van vele schaakliefhebbers verander ik  na verloop van enige tijd  mijn naam.
Zo heet ik In 1858 bijvoorbeeld  Paul Morphy,  rond 1900 verander ik die in  Lasker,  die ik vervolgens rond 1920 weer inruil voor Raoul Capablanca.
In die tijd verlies ik zelden een partij. Als een of andere doedelzak een overwinning op mij boekt, haalt dat nieuws de voorpagina van de krant.
Toch neem ik een decennium  later de naam Aljechin aan.
In 1935 wil heel Nederland dat ik mij Euwe noem, maar dat stuit bij talrijke schakers in het buitenland op veel verzet.  Ik meen me te herinneren dat ik mij ook nog een tijdje Tal of Botwinnik heb genoemd. Eind jaren zestig vind ik in Robert Fisher een welluidende naam, die goed bij mij past.  Zeker na mijn eclatante zeges op Mark Taimanov en Bent Larsen, die ik beiden in een kandidatenmatch om de wereldtitel met 6-0 van het bord veeg.  Ik heb het dan niet eens over mijn legendarische overwinning op die arme Boris Spassky in 1972, waarmee ik in Reijkjavik de wereldtitel verover en daarmee de Russische hegemonie in mijn eentje doorbreek.  Nu noem ik mij Karpov, maar ik overweeg voor de zoveelste maal  mijn naam te veranderen. Kasparov lijkt mij wel iets of zal ik toch maar weer voor Aljechin kiezen. Speel hier mijn partij tegen Reti maar eens na, dan begrijp je een beetje mijn twijfel!
Door het duistere lokaal weerklinkt een diepe zucht. Van die korte pauze maak ik handig gebruik. Terwijl een bliksemschicht door de lucht schiet,  leg ik mijn mysterieuze gast mijn allerbelangrijkste vraag voor.
“Alles goed en wel, meester, maar wie bent u nu eigenlijk echt?’
Dan klinkt er een enorme donderslag, gevolgd door een ijzingwekkende doodskreet. Lijkbleek en bibberend van schrik draai ik vliegensvlug de elektriciteitsknop om.  Het enige wat ik in de fel verlichte kamer zie, is een zielig hoopje kleren, een zwarte pruik en een wit masker op een zwart matje……

De allerbeste groeten,
Sjaak Mad.

Leave a Reply

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>